Uranus, maar dan anders

De ringen van Uranus zijn aanzienlijk veranderd sinds de ruimtesonde Voyager 2 ze in 1986 fotografeerde. Dit blijkt uit recente foto’s, gemaakt met de Very Large Telescope in Chili en de Hubble Space Telescope. Op 16 augustus waren de ringen van Uranus precies van opzij te zien. Deze unieke gebeurtenis vindt maar eens in de 42 jaar plaats en gaf astronomen de kans hele zwakke ringen van Uranus te bestuderen, die normaal niet zichtbaar zijn. Op 14 augustus jongstleden nam de Hubble Space Telescope de blauwe planeet ook onder de loep met Hubble’s Wide Field Planetary Camera 2.

De binnenste ringen van Uranus zijn veel prominenter dan verwacht. Er zijn stofdeeltjes te zien in gebieden van het ringensysteem die normaal gesproken leeg zijn. Bovendien ontdekten de astronomen dat een van de binnenringen, genaamd Zeta, een paar duizend kilometer verder van de planeet afstaat dan toen de Voyager hem zag in 1986. De ring kan zich verplaatst hebben of er kan zich een geheel nieuwe ring hebben gevormd.

De buitenste en helderste ring van Uranus, de Epsilon ring, wordt vergezeld door de twee kleine maantjes Cordelia en Ophelia. Deze maantjes, die elk een doorsnede hebben van ongeveer 30 kilometer, houden met hun zwaartekracht de stofdeeltjes in de ring op hun plaats. Astronomen vermoeden dat er meer van dit soort zogenaamde herdersmaantjes zijn, die de andere negen smalle ringen van Uranus op hun plaats houden. Zij hopen met behulp van de recente gegevens meer van zulke maantjes te lokaliseren.


Compositiefoto van infraroodbeelden gemaakt op 16 augustus 2007 met de infraroodcamera NAOS-CONICA van ESO’s Very Large Telescope in Chili. De foto links toont Uranus met vier van zijn grootste manen. Op de foto rechts is het licht uit het gebied rond Uranus versterkt om zo de ringen te kunnen zien. Het vertikale streepje boven en onder zijn de ringen precies van opzij gezien. De halve cirkels aan de uiteinden van de ringen zijn het gevolg van overbelichting door de maantjes Ariel en Titania.


Gasplaneet Uranus, gefotografeerd door NASA’s Hubble Space Telescope.