Planeten dragen toch hun steentje bij aan vorming planetaire nevels

In ons melkwegstelsel zijn op dit moment ongeveer vijftienhonderd sterren aanbeland in de fase waarin zij hun laatste adem uitblazen en een planetaire nevel vormen. Tot op de dag van vandaag werd verondersteld dat deze wolken van gas en stof niets te maken hadden met planeten en andere kleine objecten, maar astronomen van de Universiteit van Rochester in Engeland brengen daar nu verandering in. Volgens hen oefenen andere sterren en planeten namelijk wel degelijk invloed uit op deze nevels.

De onderzoekers hebben de afgelopen tijd in kaart gebracht hoe iets als een kleine en lichte ster, een bruine dwerg, of zelfs een massieve planeet kan zorgen voor het ontstaan van verschillende nevelflarden en een verandering in de chemische samenstelling van het stof dat stervende sterren omringt. Indien deze kleine objecten hier inderdaad toe in staat zijn mogen we aannemen dat de vorming van de planetaire nevels die wij zien beinvloed worden door sterren met een lage massa en planeten met een hoge massa, omdat het universum stikt van dit soort hemellichamen.

Als een ster het laatste beetje brandstof heeft verbruikt en het einde van zijn leven nadert trekt diens kern samen en wordt er een ‘envelop’ gevormd van gas en stof, welke zich tot miljoenen in de interstellaire ruimte verspreidt. In een van de vijf gevallen krijgt een dergelijke envelop een sferische vorm, maar vaker wordt deze vervormd door nabijgelegen metgezellen en ontstaan er wolken in de meest bijzondere vormen. Het team onderzocht wat voor invloed dit soort objecten zouden hebben in een kleine, middelgrote en grote baan rond de overleden ster.

Wanneer de begeleider door het materiaal in de envelop ploegt, en dus in een kleine baan rond zijn moederster draait, kan het ervoor zorgen dat de wolk van gas en stof zo snel wordt omgedraaid dat het materiaal binnen no time in alle richtingen verspreid wordt. Er ontstaat dan een grote schijf rondom de evenaar van de ster. Een tweede mogelijkheid is dat er aan de rand van de envelop te vinden is dat ervoor kan zorgen dat het materiaal omgedraaid wordt en het magnetisch veld van de moederster zich versterkt. Hierdoor hebben het gas en stof verschillende snelheden, waardoor er enorme pilaren gevormd kunnen worden. Ten derde kan de begeleider van de moederster onder hevige druk komen te staan als de afstand tussen beide objecten groot genoeg is. De planeet of kleine ster zal dan als het ware weggeschoten worden door de straalstromen op het oppervlak van de moederster en sterft dan, in vergelijking met de meeste sterren, een stille en niet spectaculaire dood.

De conclusie is dus dat astronomen er – naar waarschijnlijk – de afgelopen driehonderd jaar naast hebben gezeten wat betreft planetaire nevels. Nadat men voor het eerst in staat was om een dergelijke nevel te observeren ging men ervan uit dat het ging om een planeetvormig object. Niets bleek minder waar te zijn en in de negentiende eeuw veegden astronomen deze theorie alweer van tafel. Nu blijkt dat planeten mogelijk wel betrokken kunnen worden in het proces van de vorming van deze nevels, ook al weten we al lang dat het in werkelijkheid geen verafgelegen planeten zijn.