Hyperactief sterrenstelsel gevonden aan de rand van het universum

Door elf miljard jaar terug in de tijd te kijken heeft men voor de eerste keer de beweging van sterren in een zeer verafgelegen sterrenstelsel in kaart weten te brengen en is bepaald dat dit met een snelheid van ruim anderhalf miljoen kilometer per uur gebeurt. Dat aantal is twee keer zo groot als de snelheid waarmee de zon door het melkwegstelsel raast. De snelbewegende sterren, welke onder de loep zijn genomen door de ruimtetelescoop Hubble en de 8-meter Gemini South telescoop in Chili, kunnen ons meer vertellen over hoe deze verafgelegen stelsels, die een fractie zijn van de grootte van onze Melkweg, zich ontwikkeld hebben tot de volgroeide sterrenstelsels die we dezer dagen om ons heen zien.

Hoewel het geobserveerde stelsel, dat 1255-0 wordt genoemd, vele malen kleiner is dan de meeste sterrenstelsels die rond ons zichtbaar zijn, bewegen de sterren die het bevat als in een groot sterrenstelsel dat we dichter bij ons zouden kunnen vinden. De grootte van het object, dat slechts drie miljard jaar oud was toen het licht dat men op heeft weten te vangen vertrok, werd twee jaar geleden al bepaald, waarna de snelheid waarmee de sterren bewegen gemeten werd met een methode die niet veel verschilt van de manier waarop de politie te snel rijdende auto’s registreert met laserlicht. Dat gebeurde met een spectrometer van een telescoop op de top van een berg in de Chileense Andes.

Het is men vooralsnog niet gelukt om te verklaren hoe zulke compacte en massieve stelsels zich kunnen vormen en waarom ze dezer dagen niet gezien worden. Een mogelijkheid is dat het in feite de kernen van de ‘moderne’ sterrenstelsels vormen. Omdat hier nog twijfel over bestaat is men van plan om het stelsel in kwestie opnieuw onder de loep te nemen met de nieuwe Wide Field Camera 3 van de opgeknapte ruimtetelescoop Hubble. Aan de hand van die observaties moet bepaald worden hoe het mogelijk is dat sterrenstelsels in het vroege universum even massief waren als de meeste op dit moment zichtbare elliptische stelsels, ondanks het feit dat ze vele malen kleiner waren.

2 reacties

  • George Ubben

    13 augustus 2009

    Voor zo ver ik weet is er een horizon aan het Universum waar we niet over heen kunnen kijken.
    Hoe kan men dan spreken over de rand van het Universum ?

  • Jonathan

    13 augustus 2009

    Met ‘de rand’ bedoelt men (denk ik) tot hoe ver wij kunnen kijken in het universum. Dat moet dus een goede 13.4 miljard lichtjaar ver zijn (het heelal had dacht ik een goede 300 000 jaar nodig om af te koelen om straling te beginnen uitzenden die we nu kunnen waarnemen – kosmische achtergrondstraling). 11 miljard jaar terug = 11 miljard lichtjaar van ons dus slechts 2.7 miljard lichtjaar na de oerknal. Dat is zeer dichtbij ‘de rand’ van het universum, de meeste sterrenstelsels bevinden zich véél dichter bij ons.

Een reactie plaatsen is niet meer mogelijk.