Browse Tag: Stervorming

Rood, maar niet dood

Op een nieuwe opname die gemaakt is door de ruimtetelescoop Hubble is het sterrenstelsel NGC 1533 in het sterrenbeeld Goudvis (Dorado) te zien. Het in beeld gebrachte object is ongeveer 62 miljoen lichtjaar van ons verwijderd en is een lensvormig stelsel. Dat betekent dat het eigenschappen van zowel een spiraalstelsel als een elliptisch stelsel vertoont.

Net als een elliptisch stelsel bestaat NGC 1533 grotendeels uit oudere en rode sterren, welke verantwoordelijk zijn voor de aanwezigheid van de zachte gloed die zichtbaar is op de opname. De zwakke spiraalstructuur die moeilijk te onderscheiden is, wordt veroorzaakt door broedplaatsen van sterren en enkele jonge blauwe sterren. Astronomen kunnen onderzoek verrichten aan de vorming van sterren in dit type sterrenstelsel door het licht van de sterren te onttrekken van de rest, waardoor details van de subtiele spiraalstructuur beter naar voren gehaald worden. Dergelijke details zijn in minder bewerkte afbeeldingen als deze nauwelijks zichtbaar.

John Herschel, zoon van William Herschel, de ontdekker van gasplaneet Uranus, stuitte in 1834 op NGC 1533 tijdens observaties aan de zuidelijke hemel vanuit Kaap de Goede Hoop.

Klik hier voor een grotere versie (1.2 MB) van de bovenstaande afbeelding.

Twintig jaar oud raadsel omtrent nevel massieve sterren verklaard

De geboorte van de meest massieve sterren, die tien tot honderd keer zo zwaar zijn als de zon, is al enkele decennia een raadsel geweest. Dergelijke sterren zijn massief genoeg om waterstof te blijven verbranden op het moment dat ze materiaal uit de gaswolk waarin ze gevormd worden bijeenschrapen, maar opmerkelijk genoeg zorgt hun straling er niet voor dat het gas dat aan wordt getrokken verhit en weggeblazen wordt. Dankzij nieuwe simulaties van een team van Duitse, Mexicaanse en Amerikaanse onderzoekers heeft men nu een verklaring voor dit verschijnsel gevonden.

Een ster ziet het levenslicht wanneer een grote wolk bestaande uit gas ineenstort. Zodra de dichtheid en de temperatuur in het centrale deel van de wolk hoog genoeg zijn, wordt de aldaar aanwezige waterstof omgezet in helium en begint de ster te schijnen. Bij de allerzwaarste sterren treedt het laatstgenoemde verschijnsel echter al op wanneer de wolk nog aan het ineenstorten is. Hun ultraviolet licht ioniseert het omliggende gas en vormt een nevel met een temperatuur van circa tienduizend graden Celsius. Dit wekt de suggestie dat de groeiproces van een dergelijke ster vertraagd of zelfs gestopt wordt vanwege het feit dat het gas weggeblazen zou worden door de vrijgekomen hitte.

De door de onderzoekers verkregen resultaten wijzen uit dat het gas dat massieve sterren omgeeft niet evenwichtig op de ster valt, maar zich in plaats daarvan concentreert in talloze filamenten. De hoeveelheid gas is namelijk zo groot dat de aantrekkingskracht van het object ervoor zorgt dat het gas op sommige plekken ineenstort en spiraalvormige ‘slierten’ vormt. Wanneer de ster in kwestie deze tegenkomt, absorberen de filamenten diens ultraviolette straling, waardoor het daar omheen liggende gas beschermd wordt. Deze bescherming verklaart waarom het gas dat zich om de massieve ster heen bevindt voortdurend op het object blijft vallen en diens groei niet ten einde komt.

De uitkomst van de studie verklaart bovendien waarom de geïoniseerde nevels die met radiotelescopen geobserveerd worden van zo’n kleine omvang zijn. De nevel blijkt namelijk opnieuw te gaan krimpen op het moment dat deze niet langer geïoniseerd is en dat heeft tot gevolg dat het over een tijdbestek van enkele duizenden jaren lijkt te flikkeren, net zoals een kaars.

De vele kleuren van stergeboorte

Op een nieuwe opname van de Gemini North-telescoop is het dynamische en soms ‘gewelddadige’ proces van stergeboorte te zien. Het onder de loep genomen object, dat bekend is als Sharpless 2-106, is een stellaire broedplaats die bestaat uit gloeiend gas en stof dat het licht van de sterren die het bevat talloze richtingen op stuurt. In het materiaal ligt een zeer massieve ster verscholen waarvan wordt verondersteld dat het grotendeels verantwoordelijk is voor de bipolaire vorm van de nevel, welke hierdoor de vorm van een zandloper heeft. Winden in de nevel zouden met een snelheid van meer dan tweehonderd kilometer per uur materiaal van de groeiende ster in het gebied verspreiden.

De nevel is ongeveer tweeduizend lichtjaar van ons verwijderd in de richting van het sterrenbeeld Zwaan (Cygnus). Het object is circa twee lichtjaar lang en heeft een doorsnede van een halve lichtjaar. Men denkt dat diens centrale ster tot vijftien keer zo massief als de zon zou kunnen zijn. De vorming van de ster begon niet langer dan honderdduizend jaar geleden en de kans bestaat dat diens licht zich uit de wolk die het omgeeft zal bevrijden wanneer het relatief korte leven van het massieve object van start gaat. Uit onderzoek is gebleken dat vele sub-stellaire objecten zich op dit moment in de wolk vormen en dat zou kunnen resulteren in het ontstaan van een cluster van vijftig tot honderdvijftig sterren in dit gebied.

Naast het proces van stervorming laat de opname ook de capaciteiten van enkele nieuwe filters die onderzoekers in combinatie met de telescoop hebben kunnen gebruiken. Deze verschaffen waardevolle inzichten door zeer specifieke kleuren van zichtbaar licht door te laten dat uitgezonden wordt door waterstof, helium, zuurstof en zwavel op het moment dat hete, jonge sterren in de nevel wolken van gas en stof op laten gloeien. De filters kunnen ook gebruikt worden om planetaire nevels en gas in andere sterrenstelsels beter onder de loep te nemen.

NGC 6334: van vaag vlekje naar kleurrijk schouwspel

Ruim twee eeuwen geleden, om precies te zijn in het jaar 1837, stuitte de uit Groot-Brittanië afkomstige astronoom John Herschel op een voor hem onbekend vlekje aan de hemel boven Kaap de Goede Hoop in Zuid-Afrika. Later bleek dit vlekje het helderste deel te vormen van een uitgestrekte emissienevel in het sterrenbeeld Schorpioen (Scorpius), welke omgedoopt werd tot NGC 6334. De nabij het hart van de Melkweg gelegen wolk van gas en stof is nu – vele jaren later – ook vanuit Chili onder de loep genomen met een 2,2-meter telescoop van het European Southern Observatory, en dat heeft niet zomaar een plaatje opgeleverd.

Hubble gunt ons fantastische blik op broedplaats van sterren

Wauw. Dat is het eerste woord dat in de meesten op zal komen bij het zien van een nieuwe opname van de ‘herboren’ ruimtetelescoop Hubble. Het feestelijke portret is het meest gedetailleerde beeld van de grootste broedplaats van sterren in onze lokale galactische buurt, genaamd R136. Het stervormingsgebied is ‘slechts’ enkele miljoenen jaren oud en bevindt zich in de nevel 30 Doradus, welke gelegen is in de Grote Magelhaense Wolk, een satellietstelsel van de Melkweg. Veel van de diamantachtige blauwe sterren die deel uitmaken van het gebied en zichtbaar zijn op de opname, vallen met een massa die in sommige gevallen honderd keer zo groot is als die van onze zon onder de meest massieve sterren die tot op de dag van vandaag onder de loep zijn genomen.

Herschel richt infrarode ogen op centrum Melkweg

Dankzij beelden van het nieuwe observatorium Herschel heeft men voorheen ongezien detail in een regio van de het melkwegstelsel in de buurt van de galactische evenaar weten te onthullen. Uit de resultaten blijkt dat een methode waarbij de opnamen van een tweetal fotometers, die het vaartuig aan boord heeft, gecombineerd worden naar behoren te werken. Dergelijke observaties kunnen ons meer vertellen over koud materiaal in dit deel van ons stelsel, zoals in welke hoeveelheid het voorkomt, wat diens massa, temperatuur en samenstelling is en of er wel of niet nieuwe sterren gevormd worden wanneer een deel van het materiaal ineenstort.

Kosmisch vuurwerk in dwergstelsels houdt langer aan dan gedacht

Gegevens die zijn verzameld met de Hubble Space Telescope hebben aangetoond dat plotselinge uitbarstingen van stervorming in kleine dwergstelsels ruim honderd keer zo lang duren als men tot nu toe veronderstelde. Deze lange duur zou invloed kunnen hebben op het denkbeeld over hoe dergelijke sterrenstelsels van tijd tot tijd veranderen en schijnt licht op de evolutie van soortgelijke objecten. De conclusie is gebaseerd op een studie naar een drietal dwergstelsels – NGC 4163, IC 4662, NGC 4068 – dat zich op zo’n acht tot veertien miljoen lichtjaar van onze planeet bevindt. Het trio maakt deel uit van observaties die in het teken staan van stervorming in achttien relatief nabijgelegen stelsels die onderling veel overeenkomsten vertonen.